Bij allergeen-specifieke immunotherapie wordt een specifiek allergeen toegediend waarvoor een patiënt overgevoelig is. Ook wanneer een patiënt voor 2 of 3 verschillende allergenen overgevoelig is (bijvoorbeeld graspollen en huisstofmijt) kan deze therapie zinvol zijn. Het doel van de behandeling is het lichaam tolerant te maken voor het allergeen dat wordt toegediend.
De hoeveelheid allergenen die wordt toegediend wordt over het algemeen in een aantal stappen verhoogd (= instelfase) totdat een dosis is bereikt die gedurende de gehele periode van behandeling wordt toegediend (= onderhoudsfase). De gedachte achter deze aanpak is dat door de stapsgewijze verhoging van de allergeendosis de allergische klachten, die bij normale blootstelling aan het allergeen ontstaan, minder optreden.
Omdat het enige tijd kan duren voordat het lichaam niet meer zo heftig reageert op het allergeen is het advies van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) om een behandeling met immunotherapie tenminste 3 achtereenvolgende jaren voort te zetten voor het best mogelijke resultaat.
Allergeen-specifieke immunotherapie is de enige vorm van behandeling die de oorzaak van de allergie aanpakt.
Middels immunotherapie kunnen allergenen op twee verschillende manieren worden toegediend:
1. onder de tong (=sublinguaal). Na twee minuten kan de allergeendosis worden doorgeslikt. Opname van de allergenen vindt plaats door het mondslijmvlies.
2. middels injecties in het onderhuidse vetweefsel (= subcutaan) van de arm of het been. Vanuit het vetweefsel worden de allergenen langzaam door het lichaam opgenomen.